In Memoriam Slauerhoff

 

Soms kon de zachtheid die hij steeds verbeet

 nog schuw een uitweg naar zijn ogen vinden:

 een mild licht door die scherven, waarin leed

 door wrok was stukgebroken tot ellenden.

 

 Dit schreef ik in den trein naar waar hij lag

 te sterven, terwijl ik de wilde duinen

 van ons verleden jaar verdwijnen zag.

 Waar de getemden wonen en hun tuinen

 

 verzorgen, vond ik hem, wel al voorgoed

 geveld en als een wild, dat aangeschoten

 ligt en in langzame stilte leegbloedt,

 maar - en hoe ver dan ook van zijn genoten -

 

 toch als groot wild nog - want zij zijn groot wild,

 dichters al is hij, en de eigen jagers tevens:

 vluchtend, verwoed door zichzelf nagesneld

 tot in de grimmige uithoeken des levens.

 

 En dan, gedreven in een laatste nauw,

 maakt het wild keer; zal de jager prooi worden?

 het is er stil en laat, de lucht hangt grauw,

 en wat er eenmaal heeft gebloeid, verdorde.

 

 Zij staan, weerzijds gevaar, er oog in oog,

 loerend, op sprong: 't lang mes, de korte; tanden

 getrokken en ontbloot, de schouders hoog,

 de schonken laag, tegenover elkander.

 

 Maar plotseling, suizend en onzichtbaar,

 is daar een groter jager aangekomen;

 de jacht heeft uit : zij liggen bij elkaar

 thans, en hun vijandschap is hun ontnomen.

 

Handen en klauwen saamgevlochten, ligt

 - terwijl de lucht nu breekt - een enkel wezen

 in dien uithoek, alreeds vervuld wellicht,

 en zeker van tweespalt voorgoed genezen.

 

Zo naar de ziel, de sombre, want zij

was hem somber en gelijk een onderwereld.

 Maar naar het lichter hart, dat niet genas,

 zie ik die kamer weer, en buiten dwerelt

 

 herfst in den welverzorgden tuin al. Stil

 komt nu de zuster van het rusthuis binnen

 omdat hij belde, en vraagt hem wat hij wil,

 en schikt de dekens en het koele linnen.

 

 En dankbre zachtheid, die hij steeds verbeet,

 komt nog een uitweg door zijn ogen vinden,

 en heelt de ellendescherven weer tot leed,

 het goede leed van wie vergeefs beminden.

 

Adriaan Roland Holst

 

Uit: Verzameld werk. Poëzie I, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1981

Deel deze pagina