In Memoriam Patris

 

Je bent haastig doodgegaan.

Wij hebben geen afscheid genomen.

Ik was bijna te laat gekomen,

Om nog bij het sterven te staan.

 

 

Je hebt geleefd naar je aard

En bent er ook naar gestorven,

Niet langzamerhand en bedaard,

Maar opeens, als korzlig geworden

 

 

Door artsen die raad moesten schaffen

En niets deden dan verbieden;

Door de meelijdende laffe

Belangstelling van de lieden

 

 

Die je vroeger de baas was

Met biljarten en kaatsen

En vooral 's winters, op schaatsen,

Bij een hardrijderij eerste klas.

 

 

En die lui voorbij te zien schrijden,

Zelf zittend voor 't raam, halfverlamd,

Of in een rolwagen te rijden,

Trots lachend, inwendig vergramd;

 

 

 

 

 

 

Te goed verzorgd door je vrouw,

Die 't altijd te goed heeft gemeend,

Verwijtend vaak heeft geweend...

Neen, dat was geen leven voor jou.

 

 

Dus, toen je 't bier werd verboden,

Dronk je tweemaal zooveel.

Steeds had je een droge keel,

En zou het dan juist niet mogen!

 

 

Je merkte aan je pak: je werd mager,

En kreeg juist een schraal dieet.

Je zwoer bij bakker en slager:

‘Geen arts die er iets van weet.’

 

 

Je moest oppassen voor koude,

Bij 't vuur zitten met iets warms,

Maar was niet in huis te houden.

Moeder zei: ‘Hij is altijd dwars.’

 

 

Ja, dwars, goddank, want dat heeft hen

En jou voor lang ziekzijn gered.

Je bleef tot het laatst in den run,

Maakte 't af met drie dagen in bed.

 

 

 

 

 

 

Je hebt geen woord meer gesproken,

Slechts eens, toen ze ‘Dijkstra’ zeiden

(Een arts dien je niet mocht lijden!)

Dreigend de vuist opgestoken.

 

 

't Is verder niet ‘kalm en zacht’,

Maar met horten en stooten gegaan.

Je streed zwaar, na middernacht

Was het opeens gedaan.

 

 

't Bleef stil, toen begon mijn broer te

Snikken: meer schrik dan verdriet.

Ik suste hem: bij een beroerte

Is men bewustloos, lijdt niet.

 

 

Alles is toen gegaan

Of 't vóóruit geregeld was.

Begrafenis tweede klas

Op 't kerkhof Huizumerlaan,

 

 

Op een namiddag smoorheet.

We gingen omdat we moesten,

In dufgesloten rouwkoetsen,

Zweetend in 't zwart gekleed.

 

 

 

 

 

 

In dorren grond gaapte een graf,

In heete lucht luidde een klok;

Er stond een drom volk wat veraf,

Een trad naar voor en sprak...

 

 

De kist zakte, mijn broer en ik

Zagen daarna in den kuil.

Een nuchter vreemd oogenblik:

Kluiten vielen, een wierp een tuil.

 

 

Toen volgde 't gebruikelijk maal,

Waar men zich niet meer goed wist

Te bedwingen en een paar maal

Smeulde familietwist.

 

 

Drie dagen ben ik gebleven,

Dan hervatte ik den tocht

Van mijn onrustgeteisterd leven.

Het graf heb ik niet meer bezocht.

 

 

Mijn moeder verhuisde gauw,

Zij haatte de noordlijke stad

Waar zij moest leven om jou;

Ik ging weer op zee en vergat.

 

 

 

 

 

 

Waardoor ben ik - nooit droeg ik rouw

Opeens geraakt aan 't herdenken

En vaar met te laat berouw

En vind dat we jou miskenden?

 

 

 

Dat je anders was dan je scheen

En beter dan je je hield,

Niet ruw en vrij algemeen,

Maar innerlijk meer bezield?

 

 

Je was als de meeste noordlijken:

Schuw voor getoond gevoel.

Je haatte 't uitbundig woordlijke,

Bleef liever gesloten en koel.

 

 

Vaak krenkend, zelf gauw gekrenkt,

Wel populair en toch eenzaam,

Al was je met velen gemeenzaam

Door je baan - je was zóó bekend,

 

 

Dat een wandeling door de stad

Met jou een beproeving was,

Voor mijn hoogmoed een doornig pad:

Hoed af haast bij iederen pas.

 

 

 

 

 

 

En door dat soort ergernissen

Heb ik nooit je waar wezen bepeinsd.

Alleen op zoo'n dag uit visschen

Was je jezelf, ongeveinsd.

 

 

Kinderlijk kon je genieten

Van den glans van de lucht op het meer,

Van het windgekreun in de rieten,

Van den dobber die wiegt op en neer,

 

 

Van den dronk, na het visschen genomen

Uit de bolskruik in 't glas zonder poot,

Van het werkeloos liggen droomen

In 't zacht hooi, de harde boot.

 

 

 

Dan liet je den vrijen loop

Aan een droom, je ging nooit op reis,

En zei dan: ‘Misschien is er hoop,

Ik moet nog met jou naar Parijs.’

 

 

'k Merkte eens dat je heimlijk vurig

Napoleon-vereerder was

En Zondags, na preektijd, langdurig

Ségur en Las Cases las.

 

 

 

 

 

 

Maar toen ik je een borstbeeld gaf,

Een laatste Sint-Nicolaas,

Wees je 't geschenk toornig af:

‘Wat moet ik daarmee, 't is te dwaas!’

 

 

Aan deze en andre dingen

Denk ik nu, met mijzelf verlegen,

Onder de Zuiderkeerkringen:

De gedachte heeft vreemde omwegen.

 

 

Wie weet hoeveel teederheden

Je in jezelf hebt verstikt -

De Friesche aard is benepen

En uit zich niet groot, weegt en wikt.

 

 

Zoo vind ik toch enkele trekken

Van je verborgenste wezen,

Maar zal je wel langzaam geheel ontdekken

Na je dood, nog jaren nadezen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Jacob Slauerhoff

Video

Deel deze pagina